Regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022

Binnenkort wordt de vernieuwde regeling Regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022 gepubliceerd.

In juni 2018 heeft de Minister middels een brief de Tweede Kamer geïnformeerd over de nieuwe opzet van de RiF die per 1 januari 2019 van start gaat. Hieronder de belangrijkste punten uit deze brief.

 

Wat blijft?

  • Een samenwerkingsverband van onderwijs, bedrijfsleven en eventueel regionale overheden kan subsidie van het Rijk aanvragen voor een voorstel voor duurzame publiek-private samenwerking om te zorgen voor aantrekkelijk en eigentijds mbo-onderwijs dat ruimte biedt aan regionale verschillen en een veranderde arbeidsmarkt.
  • De voorstellen voor duurzame samenwerking dienen betrekking te hebben op bekostigde mbo-opleidingen. Aanvragen voor alle opleidingsdomeinen en niveaus kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage vanuit het RIF.
  • Een aanvraag wordt beoordeeld door een externe commissie van experts uit onderwijs en bedrijfsleven op basis van criteria, waaronder de duurzaamheid van het samenwerkingsverband en de afstemming met mbo-scholen die vergelijkbare opleidingen aanbieden.
  • Bij toekenning bedraagt de subsidie van het Rijk een derde van de totale begroting van de aanvraag. Voorwaarde is dat de overige twee derde door de regio (te weten: het bedrijfsleven en de regionale overheden) wordt gefinancierd.

 

Wat wijzigt?

  • De eerste periode van het RIF (2014–2017) heeft laten zien dat projecten die zijn ontstaan met subsidie vanuit het RIF, (nog) niet altijd hun volledige potentie hebben bereikt. Er is ruimte om door te groeien en het bereik van de projecten uit te bouwen. Om dit te realiseren komt er in de nieuwe regeling RIF een mogelijkheid tot het aanvragen van subsidie voor opschaling van projecten die eerder subsidie vanuit het RIF hebben gekregen. Een opschaler is een vervolg op een afgerond en aantoonbaar succesvol RIF-project. Met een opschaling wordt dan volop ingezet op aanzienlijke verdieping en verbreding van het project door meer mbo-opleidingen (en meer studenten en docenten), scholen (vmbo, mbo en/of hbo), regionale partners, onderzoek en innovatie met het project te bereiken. In het nieuwe RIF kan er dus subsidie worden aangevraagd voor twee soorten projecten: (1) nieuw te vormen pps-en en (2) opschalers.
  • Uit de eerste periode van het RIF blijkt dat een aantal thema’s nog onvoldoende via RIF-projecten wordt gestimuleerd. Met de nieuwe regeling wordt beoogd dat subsidieaanvragers extra op deze thema’s inzetten, het beoordelingskader van de regeling wordt hierop ingericht. Het gaat hier om: het stimuleren van een leven lang ontwikkelen, het verbeteren van de aansluiting op de arbeidsmarkt van jongeren in een kwetsbare positie (waaronder de entreeopleiding) in het beroepsonderwijs, professionalisering van docenten en het ontwikkelen van onderzoekende vaardigheden (bijvoorbeeld via het inrichten van practoraten).
  • Betrokkenheid en draagvlak van docenten en studenten bij de ontwikkeling en uitvoering van projecten wordt gestimuleerd in de nieuwe regeling en moet dan ook blijken uit de aanvraag.
  • Om in aanmerking te komen voor subsidie uit het RIF dient de aanvraag in lijn te zijn met de Kwaliteitsagenda’s van de betrokken mbo-instelling(en).
  • Projecten die RIF-subsidie ontvangen worden gemonitord. Dit gebeurt echter niet meer jaarlijks met een verantwoording achteraf, zoals in het huidige RIF, maar op basis van een midterm review halverwege het project. Bij deze midterm review bekijkt de beoordelingscommissie of én hoe het project zich verder kan ontwikkelen. Bij de aanvraag dient de aanvrager een projectplan en meerjarenbegroting in voor de gehele subsidieperiode. Deze zijn gedetailleerd voor de eerste helft van het project. Voor de midterm review levert de aanvrager een zelfevaluatie aan en een aangepast plan van aanpak voor de tweede periode.
  • Na afloop van de subsidieperiode vindt er een onderzoek plaats om de afgeronde projecten op concrete effecten te evalueren.
  • Uit de evaluatie van het huidige RIF blijkt dat aanvragers de vergoeding voor transitiekosten voor het doelmatig organiseren van het opleidingsaanbod niet vanzelfsprekend verbinden aan de doelstellingen van het RIF (er is in vier jaar tijd slechts één subsidieaanvraag voor dit thema gekomen). Daarom wordt de transitiekostenvergoeding voor doelmatig organiseren van het opleidingsaanbod niet meer beschikbaar gesteld vanuit het RIF 2019–2022.

 

Financiële kaders

  • Voor het nieuwe RIF is van 2019 tot en met 2022 € 25 miljoen per kalenderjaar beschikbaar vanuit de rijksoverheid, in totaal dus € 100 miljoen (inclusief uitvoerings- en monitoringskosten).
  • Er zijn twee aanvraagmomenten per kalenderjaar: in januari en juni. Het eerste aanvraagmoment start op 1 januari 2019. Er zijn in totaal acht aanvraagmomenten. Als er onderuitputting is binnen het kalenderjaar worden de beschikbare middelen doorgeschoven naar het volgende aanvraagmoment in datzelfde jaar.
  • De aanvragende mbo-instelling vraagt, namens het samenwerkingsverband, een subsidie aan voor minimaal 4 jaar en maximaal 5 jaar.
  • De subsidie vanuit de rijksoverheid is tenminste € 250.000 en ten hoogste € 2 miljoen per project. De gevraagde subsidie in het voorstel moet gebaseerd worden op een realistische schatting van de daadwerkelijke kosten, dit zal in de beoordeling worden meengenomen.
  • Per aanvraagmoment wordt een subsidieplafond vastgesteld. Als het bedrag voor een subsidieperiode overtekend is, wordt de subsidie van het Rijk op basis van een ranking systeem verdeeld over de voorstellen, en gelijk verdeeld over nieuwe pps-en en opschalers.
  • Bij toekenning bedraagt de subsidie ten hoogste een derde van de totale begroting van het voorstel. Minimaal een derde van de meerjarenbegroting wordt door het bedrijfsleven gefinancierd. Regionale overheden kunnen meefinancieren tot maximaal een derde van de totale begroting. Ook de aanvragende mbo-instelling kan meefinancieren tot maximaal 10% van de meerjarenbegroting.
  • Voor RIF-aanvragen waarin de entreeopleiding centraal staat, blijkt het lastiger om cofinanciering te organiseren. Daarom wordt voor deze specifieke aanvragen het subsidieplafond vanuit het Rijk opgehoogd. Bij toekenning bedraagt de subsidie van het Rijk voor deze projecten ten hoogste de helft van de totale begroting van het voorstel. Minimaal 25 procent van de meerjarenbegroting wordt door het bedrijfsleven gefinancierd, om een zekere mate van betrokkenheid te garanderen. Regionale overheden kunnen meefinancieren tot maximaal 25 procent van de begroting. De aanvragende mbo-instelling kan meefinancieren tot maximaal 10 procent van de meerjarenbegroting.
  • Aanvragers die al een andere bijdrage uit ‘s Rijks kas ontvangen voor een vergelijkbaar voorstel, komen op grond van deze regeling niet opnieuw voor subsidie van het Rijk in aanmerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om de toegekende voorstellen in het kader van Toptechniek in bedrijf en de middelen die vanuit de Kwaliteitsafspraken aan de mbo-scholen worden toegekend.

 

 

De volledige brief is hier te lezen.